Een visleven, een leven vol vis (deel 1)
Het water roept, het water is overal in mij en om mij heen.
Het is er altijd al geweest en zal er ook altijd zijn. Waar moet ik beginnen. Alle begin is moeilijk. Hoe wordt een (karper)visser nou eigenlijk geboren?
In mijn jongste vakantieherinneringen staan de beelden nog gegrift van de vakanties in de Belgische Ardennen. Stroompjes werden verlegd, miniatuur stuwmeertjes werden aangelegd. Visjes werden gevangen met een schepnetje om te worden bewonderd en daarna weer vrijgelaten te worden. Hele dagen lang, totdat ik één en al rimpel was, werden in de stroompjes doorgebracht.
Ik kan mijn eerste daadwerkelijke kennismaking met de karper nog goed herinneren. Toen ik jong was, werden de zomervakanties vaak doorgebracht in de stacaravan van opa en oma in Terwolde, vlak langs de IJssel. Vaak werd ik maar wat wagenziek als we over de slingerende dijkjes richting het park reden. De hitte, het slingeren van het wegdek, de rooklucht in de auto…..Nee, die deden me vaak niet goed. Met zijn viertjes (vader, moeder, broertje en ik) reden we dan in ons oude volkswagen golfje naar Terwolde. Als de ingang in zicht kwam, was ik meestal mijn wagenziekte allang vergeten. Opa had namelijk verteld dat je hier goed kon vissen. En een echte visser was ik!!

Ik had bij ons in Den Haag langs de Veenendaalkade al menig vis verschalkt. Grote zonnebaarzen tot zo’n 25 centimeter ving ik vaak met een made zo dicht mogelijk langs de kant. Baarzen van 35 centimeter en meer werden gevangen op een spinnertje of een twistertje en verhuisden naar mijn kleine aquariumpje op de vensterbank. Op mijn vast hengeltje van 3 meter ving ik mooie voorns en af en toe een flinke brasem. Mijn hemel, wat was ik trots als ik zo’n grote slijmjurk had gevangen en stinkend van het slijm thuiskwam bij mijn zuurkijkende moedertje die al weer een wasbeurt zag hangen. De in mijn ogen grote jongens vingen ook geregeld snoeken bij het gemaaltje en ik was er dan als de kippen bij om zo’n grote rover van dichtbij te kunnen aanschouwen. Hetgeen ik mij het beste kan herinneren van een snoekvangst is trouwens het volgende. Ik ging met mijn vader vissen bij het oogziekenhuis in de “wierplas”. Dit rechthoekige vijvertje noemde ik zo, omdat het ’s zomers letterlijk vergeven was van de waterpest. Ik zat met mijn vader op voorntjes en baarsjes te vissen. Op de lange zijde van de vijver zaten twee jongens op de snoek. Dat kon je duidelijk zien, de rood/ witte drijvers dansten over het wateroppervlak van links naar rechts. Ze hadden nog niets gevangen.
Nadat mijn vader het zoveelste voorntje aansloeg en deze naar de kant dirigeerde werd hij plotseling op een meter uit de kant door een snoek gepakt. Een grote! Snel haalde mijn vader daarop het tuigje van mijn werphengeltje af, zocht wat in zijn zwart/ oranje viskoffer en knoopte er een stalen onderlijn aan. Blinkertje eraan en ik moest die snoek maar eens gaan vangen. Ik had echter nog nooit met een blinkertje gevist en mijn werpen was ook nog niet je van het. Mijn vader zou het wel even voordoen. Na de tweede worp stortte de voorntjes dief zich op een meter van de kant op het blinkertje en stond mijn vader met een krom glashengeltje van 160 centimeter met een snoek aan de andere kant van de lijn. Nu had mijn vader volgens mij ook nog nooit een snoek gevangen dus hij kneep hem wel een beetje. Gelukkig hadden de snoekvissers van de lange kant het gebeuren gevolgd en kwamen ze bij ons polshoogte nemen. Eenmaal moegestreden wist één van de jongens de snoek vakkundig met de kieuwgreep te landen en legde de snoek in het gras. Eerst opmeten nu. De snoek bleek 85 centimeter lang. Zo een grote vis had ik nog niet vaak gezien. De jongen trok een leren handschoen aan want, zo wist hij te vertellen, een snoek kon je hand lelijk beschadigen met zulke grote tanden. Dit klonk mij als een absolute waarheid in de oren. De jongen begon met het onthaken van de vis en gaf plotseling een luide gil.
De snoek had de bek dichtgeklapt en beet dwars door de handschoen van de jongen heen, vol in zijn hand. Als schrikreactie trok hij zijn hand weg en heeft blijkbaar ook de blinker meegenomen, want die lag daarna buiten de bek. Snel hebben we maar de vis teruggezet en de jongen kon gelijk door naar het Leijenburg ziekenhuis, vlak naast het oogziekenhuis. Danig onder de indruk van hetgeen zich had afgespeeld hebben mijn vader en ik maar besloten niet meer verder te vissen en naar huis te gaan. Maar goed, dit was even een zijspoortje, we zouden het over karper gaan hebben.
Van karper had ik nog maar weinig gehoord. Wel zag ik geregeld mannen bij de brug vissen met van die grote stellages met 2 hengels en piepers erop en maar wachten op een beet. Nimmer zag ik ze wat vangen en als ze wel wat hadden gevangen was ik steevast te laat om de vangst te kunnen bewonderen. Maar eigenlijk vond ik dit nooit zo erg. Mijn blik was meer gericht op die mannen met hun zilver glinsterende viskanis en de lange hengels, die als een reiger naar een minuscuul dobbertje tuurden en bij een beweging die ik niet eens kon zien al een vis aan de haak hadden. De ene na de andere voorn of brasem verdween in het meterslange leefnet. Voor mij was dit het summum. Veel en grote vissen vangen. Ik ging dan ook zodra het kon gelijk bij de dierenspeciaalzaak langs om de nieuwe Albatros catalogus te halen en kon hier weken mee zoet zijn. Ik omcirkelde alles wat mooi blonk en er prachtig uitzag en probeerde uit te rekenen hoe lang ik nog mijn zakgeld moest sparen voordat ik mijn uitrusting kon uitbreiden.
Ik keek ook graag naar de oude Chinese man die er als een standbeeld op zijn kanis zat. Hij viste altijd op dezelfde plaats en altijd met rijst. Hij ving ook altijd en met een mooie regelmaat kwamen er grote vissen op de kant. Hij bood mij op een gegeven moment aan, dat als ik een zonnebaars zou vangen die langer was dan 20 centimeter, ik van hem 5 gulden zou krijgen. Hij zou de vis dan in zijn aquarium stoppen. Toen ik op 1 dag 4 van die grote zonnebaarzen in mijn emmertje naar zijn huis bovenin het portiek had gebracht, was het welletjes voor de man. Zo snel als de mogelijk zich voordeed, zo snel was mijn nieuwe inkomstenbron ook weer verdwenen. Ik ben nooit bij die man binnengeweest dus eigenlijk weet ik tot op de dag van vandaag nog niet wat er van die visjes is geworden. Gingen ze het aquarium of de pan in?
Comments: