Een visleven, een leven vol vis (deel 4)
De eerste Zoetermeerse vissen
Op mijn verjaardag had ik van opa en oma in Veenendaal een mooi spinhengeltje van D.A.M. gekregen met een molentje en wat kunstaas. Hiermee ving ik op de dag dat ik het spulletje kreeg mijn eerste snoekje in Veenendaal. Een visje van ongeveer 50 cm.
Ik had geen meetlatje bij me maar had een rietstengel langs de vis gelegd en die op de precieze lengte afgebroken zodat ik hem thuis zou kunnen opmeten. Wat was dat nog een geklungel zeg, zo zonder arterietang of schepnetje. Daarbij had ik nog nooit zelf een snoek gevangen.
Eerst durfde ik het beestje niet eens te onthaken, de dreg zat op 3 punten vast in de bek. Ik liet het beest nog aan de lijn even terug in het water om te bedenken hoe ik dit aan ging pakken. Na het beestje vijf minuten te hebben laten zwemmen, haalde ik hem weer binnen. Wonder boven wonder zat de dreg nu nog maar aan 1 haakje vast voor in de bek. Zonder moeite kon ik de haak verwijderen en het snoekje de vrijheid weer geven. Apetrots rende ik naar opa en oma om het verhaal uit de doeken te doen. Het werd gelukkig meteen geloofd. Ze zagen, denk ik, het heilige visvuur in mij branden.
In Zoetermeer wilde ik het ook wel proberen op de snoek, volgens mijn vader was het nog te koud om op de karper te vissen. Het ijs was nu een dag of twee geleden geheel verdwenen en er kwam steeds vaker een waterig zonnetje door. Met windstil weer was het nu heerlijk om te vissen. Ik liep naar de brede boerensloot toe en wierp mijn blinkertje in. Na drie omwentelingen van de slinger was daar ineens een aanbeet, te voelen door de harde tik op de top. Snoek, was mijn eerste gedachte. Niets bleek echter minder waar, want het was een baars van een centimeter of 25 die mijn blinkertje had gepakt. Nou ja, een goed begin is het halve werk zullen we maar zeggen. Wat volgde heb ik in al mijn jaren vissen niet meer meegemaakt. De volgende 6 worpen was het iedere keer raak, vanaf de zelfde plek nog wel. Iedere worp leverde me een baars van een gelijkwaardig formaat als de eerste op. Nu ik al zeven baarzen op de zelfde plek had gevangen was het verstandig om een andere plek te proberen. Zo gezegd, zo gedaan. Na anderhalf uur nieuwe plekjes te hebben geprobeerd en mijn arm bijna uit dek om te hebben gegooid, zonder resultaat, besloot ik toch om terug te gaan naar de baarsplek en wat denk je?
De eerste worp…………………….. niets. Tweede worp………niets. Derde worp. KNAL!. Een forse tik op de top en ik dacht weer met een baars te doen te hebben. Er roerde zich na de aanbeet niets aan de andere kant van de lijn. Ik dacht vast te zitten aan een tak of iets dergelijks. Met moeite kreeg ik de lijn terug op het spoeltje. Ik viste maar met 20/100 dus voorzichtigheid was geboden. Vlak voor de kant sloeg mijn hart ineens een aantal slagen over. Er lag een monster van een snoek vlak voor de kant met mijn blinkertje in zijn bek. Nog niet in het bezit van een schepnet schoot mij het Veenendaal verhaal weer te binnen. Deze snoek was zo groot, dat ik die nimmer aan de lijn kon binnenhalen. Wat nu te doen? Helaas maakte de snoek een voortijdig einde aan de strijd. Het leek net als of de snoek voor de kant pas besefte dat hij vastzat en toen hij me zag nam hij een nietsontziende run en brak mijn lijn met een droge knal. Weg vis, weg nieuw record, weg zin om te vissen.
Ik gaf het op en ging met gemengde gevoelens naar huis. Ik had mijn eerste Zoetermeerse vissen, maar die snoek, daar zou ik nog heel lang aan terugdenken.
Er brak voor de vissen in de omgeving een periode van relatieve rust aan. De nieuwe school werd dagelijks bezocht en huiswerk moest worden gemaakt. Daarnaast had ik een krantenwijkje genomen om mezelf van meer hengelsportartikelen te kunnen voorzien. Voor vissen had ik even geen oog/ tijd meer, vriendjes maken en geld verdienen werd belangrijker. Tot de voorjaarsvakantie dan. Nu had ik tijd om lekker te gaan vissen. Het holglaswerphengeltje (wat nog van mijn vader was geweest) voldeed niet meer aan de eisen.
Mijn vader was na het eten aan de waterkant gaan zitten en ik was werkelijk door mijn krantenwijk heen gevlogen, per abuis de afwas vergetend…Gelukkig heb ik zo een moeder die wel inzag hoe graag ik wilde gaan vissen en die schat heeft de afwas dan ook voor mij gedaan terwijl ik postbode speelde.
Dit was natuurlijk wel bij HOGE uitzondering. Nog bedankt mam! Nadat de laatste folder in de bus was beland ben ik met hoge snelheid naar huis gesjeesd. Rood aangelopen kwakte ik mijn fiets tegen het muurtje van de schuur aan en stormde op mijn vader af (die mij natuurlijk al lang had horen aankomen). Subtiliteit was nog niet echt mijn ding en als een doldrieste stier stormde ik op mijn vader aan het slootje achter ons huis af. Halverwege het grasveldje draaide hij zich om en maakte mij met een handgebaar duidelijk dat ik zachtjes moest doen. Er zat karper! De laatste meters naar het water werden sluipend afgelegd. Mijn vader hield nogal wat afstand van het slootje want de kant liep schuin af en daardoor zat je vrij hoog ten opzichte van het water.
Dit zou betekenen dat de vis je makkelijker kon waarnemen. Weer wat geleerd. Deze problemen kende ik niet van het voorn- of brasemvissen. Mijn vader viste tegen een paar rietstengels tegen zijn eigen kant met een stukje aardappel wat over was van het eten. Ik vroeg hem of hij al wat had gevangen. Het antwoord bestond uit twee opgestoken vingers. Twee vissen. Karpers? Ja, knikte mijn vader met een vinger voor zijn mond. Oh ja, stil zijn was het devies. Aan zijn schepnet zag ik dat mijn vader niet had gelogen. Het was nat en stonk naar visslijm. Hij had twee schubkarpers gevangen van om en nabij de 55 centimeter. Mooie vissen en diepbruin van kleur met grote vinnen. Het was al bijna donker en mijn vader gaf aan dat hij er bijna mee zou ophouden, hij had immers ook geen aardappel meer. Hij had wel de hele avond “leven”gehad, zo noemde hij dat als er met zijn dobber werd gespeeld. Ik bleef kijken totdat we het dobbertje beiden niet meer zagen en toen was het genoeg voor vandaag.
Binnengekomen bespraken we de vangst en mijn vader gaf aan dat het volgens hem letterlijk zwart zag van alle vissen in de sloot, om de haverklap ging het riet als een gek tekeer en dat in een klein slootje als het “onze”. Hij had nog een ideetje voor morgen en als ik zin had kon ik meehelpen voor ons een echte privé visplek te creëren. Daar had ik wel oren naar. Morgen hoefde ik geen krantenwijk te lopen en het zou mooi weer worden.
Comments:






