Vismemories

Vismemories

Geïnspireerd door Peter die hier ook zijn visleven heeft gepubliceerd heb ik besloten om mijn visavonturen ook maar eens aan het digitale tijdperk toe te vertrouwen, niet zo gedetailleerd want die gave bezit ik nu eenmaal niet maar op mijn geheel eigen wijze.
 
Op het moment van schrijven is het augustus 2011 en ik kan zeggen dat ik op mijn niveau het spelletje aardig doorzie mede door een goede vismaat die me scherp houdt, op scherp zet op een manier waarvan ik hoop dat het wederzijds is. De visuitrusting kan als meer dan compleet betiteld worden met alles er op en eraan. In de afgelopen jaren heb ik me ook een eigen duidelijke aasvisie ontwikkeld die regelmatig kritisch tegen het licht gehouden wordt in samenspraak met de genoemde vismaat.
Als ik morgens mijn neus buiten de deur steek om naar het werk te gaan dan is het eerste wat ik doe kijken of het gunstig karperweer is. Wanneer ik mezelf dan met een volmondig “Ja” kan beantwoorden dan is het altijd weer jammer dat er toch gewerkt moet worden hoewel ik me wel heel goed realiseer dat de uitrusting die ik tegenwoordig heb gerealiseerd is juist door het werk.
 
Begin jaren 70 Utrecht Hoograven
Mijn allereerste visavonturen beleefde ik met jeugdvriendje Marko, vissen met een bamboe hengeltje in het siervijvertje aan de Nijeveldsingel in Utrecht. Nu ik er op terug kijk, hoe heeft de gemeente Utrecht ooit dit watertje singel kunnen noemen, een duidelijke vorm van hoogmoedswaanzin in de begin jaren zestig toen het wijkje gebouwd werd. Het wijkje waar ik ben geboren en getogen en waar veel kinderrijke gezinnen woonde in die jaren.
 
 
In mijn familie zit echt niemand die zich met vissen bezig hield, dus alles wat ik op die leeftijd heb geleerd was van vriendjes en door “zelfstudie”. Het enige wat wij thuis met vissen hadden was dat we een aantal jaren een aquarium hebben gehad maar die verdween toen we eens thuis kwamen van vakantie en 1 vis de rest had opgevreten en het hele aquarium had omgeploegd .
De Nijeveldsingel dus, Marko zijn vader was wel een fanatiek visser dus de hulp kwam vaak van die kant, want ik had vroeger een hele gebrekkige fijne motoriek en was heel onhandig met mijn linkshandigheid, zo duurde het heel lang totdat ik bijvoorbeeld zelf mijn schoenveters kon strikken, iedereen die deed dit met de rechterhand en mij lukte dit totaal niet.
Bovenstaand voorbeeld moet een beetje weergeven tegen welke problemen ik aanliep bij het vissen, een haakje aanzetten, lukte echt niet, lood aanzetten evenmin, hier was ik dus echt aangewezen op hulp van andere.
 
We vingen kleine voorntjes die we in een emmer stopte en als we naar huis gingen dan werd de emmer weer leeggegooid in het water. We visten dus met een bamboehengel en als je hiermee 5 kleine visje had gevangen was je hengel zo krom dat wanneer je de hengel een meter boven het wateropervlak hield de top alsnog het water raakte.
Vanaf een jaar of tien gingen we ook lijntjes uitzetten om zo paling te kunnen vangen, zo zette we rustig een tiental lijntjes uit net voor of na het avondeten, om de volgende dag wanneer we uit school kwamen te gaan kijken wat de buit was.
De gevangen palingen gingen in een emmer mee naar huis alweer ze in een zinken teil gedaan werden met leidingwater, zo zou was de gedachte de grondsmaak ervan gaan. Na twee dagen in de teil rond gezwommen te hebben pakten we dan de fiets naar een zijstraat van de Amsterdamse straatweg om de paling af te leveren, dit was een hele onderneming voor een paar kleine knulletjes maar de beloning daarvoor was mooi, we werden beloond met 2 gulden en soms wel kregen we de man een rijksdaalder. Van het geld dat we als jonge ondernemers kregen gingen we naar de hengelsportwinkel, en konden we mooi nieuw vismateriaal kopen, een haakje, een dobbertje, wat lood en toen we wat op zij gezet hadden, een hengel van glasvezel (geloof ik).
 
Zo af en toe lieten we een klein visje aan onze vaste hengel rondzwemmen met als doel hier een snoekje op te vangen. Je moet begrijpen dat in onze veilige visgronden geen grote vissen rond zwommen en dus was voor ons een snoek van 50 centimeter een topvangst en een snoek van 60 centimeter was in onze kinderogen een riviermonster.
Meestal brak de lijn, maar soms heel soms lukte het ons om een snoekje te vangen van 50 centimeter, vissers voelden we ons dan echte visser die snoeken te lijf gingen.
 
Dit was ook de tijd de we onze vleugels uitsloegen en de polder indoken, we woonden immers aan de rand van Utrecht en de polder was heel dichtbij. De polder was voor ons DE plek, en om op de echt mooie stekken te komen moesten we door de weilanden heen terwijl we elkaar opjuinde over de kwaadaardige boer die je niet op zijn land moest betrappen en zeker dan niet in zijn handen moest krijgen.
Het was dus niet alleen het avontuur van het naar vreemd water gaan maar de boer die we overigens nooit gezien hebben maakte het voor ons een heel spannend avontuur en niet zelden als we naar huis gingen werd de spanning opgevoerd “ik zie iemand” en zo kwam het dat we dus iedere keer heel snel thuis waren.
We visten overigens op het Inundatiekanaal, een kanaal gegraven voor de oorlog om zaken te beschermen die van strategisch belang waren, lieten “ze” delen land die lager stonden onder water lopen.
Wisten wij veel, zelfs de naam hadden we verkeerd, wij noemde het water “het Imitatiekanaal” eigenlijk helemaal geen gekke naam als ik er nu op terug kijk.
 
 
 
Aan het Imitatie uhhh Inundatiekanaal vingen we onze eerste brasempjes van ook hier een bescheidden formaat. Overigens is die polder er al lang niet meer, hier staat tegenwoordig de woonwijk Lunetten, en het weiland van de boer is nu in het bezit van een voetbalvereniging, het kanaaltje loopt nog wel dwars door de wijk en ik hoop dat de jeugd van nu daar net zoveel plezier aan beleefd als wij vroeger.
 
Natuurlijk sla je je vleugels uit, en zo kwamen we met ons groepje dat wat groter was geworden en ook wel wisselde van samenstelling wat verder van huis om te vissen. Zo kwamen we op onze tocht eens bij ik meen het fort Lunetten, we hadden onze spullen nog nauwelijks uitgepakt en waren nog niet eens aan het vissen toen er een bijna vergelijkbare groep jongens aan kwam.
Ik zeg niet voor niets “bijna vergelijkbare groep”, want de groep was net iets groter en de jongens waren net wat ouder, We kozen dus heel duidelijk eieren voor ons geld en de net gevonden visgronden verlieten we zeer snel onder allerlei bedreigingen en onder begeleiding van deze jongens om hier nooit meer terug te keren.
Het nieuwe jachtgebied werd het Vaartserijnkanaal, wat dichter bij huis en dus wat veiliger, helaas schoot ons materiaal daar schromelijk te kort en werd er meer geblankt dan gevangen, hoewel we totaal geen weet hadden van het woord “geblankt”.
En zo kwamen we weer terug bij de eerder ontdekte wateren in de polder en in de wijk om daar veilig ons visje te vangen. Op deze wijze hebben we door gevist tot we een jaar of 13 a 14 waren.
Wat we wel regelmatig deden was toen we een jaar of 12 waren was naar het zogenaamde “bad van Ede” gaan in Maarssen met Marko en zijn vader. Daar kwamen we voor het eerst de karpertjes tegen die werden belaagd met de vaste stok.
Het bad van Ede was een recreatieplas, zwembad, visvijver, speeltuin waar je voorin kon zwemmen aan een soort van strandje en wat middels witte muren was afgeschermd van de buitenwereld. Op het achtste gedeelte kon gevist worden, er mocht ook wel gezwommen worden, maar er waren er niet veel die zich hier aan waagden.
De vaste hengels lagen gewoon in een steuntje en er was altijd wel iemand in de buurt die een oogje in het zeil hield op de hengels, ook al hoefde je niet echt op te letten, het was altijd weer geweldig om heel hard de “zoef” te horen ten teken dat een karpertje zichzelf gehaakt had, de hengel vertrok vanuit de steun en ging het water in, de dop aan de achterkant van de hengel zorgde ervoor dat de hengel bleef drijven en op het moment dat de hengel vertrok doken er wel een paar man het water in om de hengel met vis op te halen, degene die het eerste bij de hengel was had dan het recht de vis te landen en werd door iedereen dan ook geregistreerd als vanger van de vis. Zijn er ooit op een normale manier karpers gevangen? Ik zal het echt niet meer weten, vast wel maar het vertrek van de hengel is me altijd bijgebleven.
Menig vis is op bovenste wijze gevangen, maar een onthaakmat kwam hier echt niet aan te pas, deze bestonden volgens mij niet eens.
Op 1 van onze eerste tochten ernaar toe gebeurde nog iets opmerkelijks, om vanuit Utrecht zuid in Maarssen te komen moet je zo een beetje de hele stad door crossen, want Maarssen ligt zo een beetje naast Overvecht en laat dat nou net Utrecht Noord zijn en wij woonden in Zuid.
Natuurlijk namen wij de kortste weg, dus wij fietsen via Hoograven richting Tolsteeg om daar richting de catarhijnesingel te nemen om vervolgens via het Vreeburg richting de Anton Geesinkstraat te fietsen, de lezer die een beetje bekent is in Utrecht weet al waar we nu heen gaan. Via de rode brug, linksaf het zandpad op, de plek met bootjes zeg maar.
En in die bootjes kan je vijf minuten liefde kopen, en de koopwaar is duidelijk aanwezig (toen ook al) en te herkennen aan weinig kleding en rode lampen. We keken onze ogen uit, dit was nieuw voor ons, de Pa van Marko fietste voorop en wij erachteraan ondertussen kijkend naar dit voor ons bijzondere schouwspel. Ook in die jaren wilde de gemeente al dat zaken gereguleerd werden, dus met je auto kon je er aan 1 kant op, er was een keerpunt en je moest er met de auto aan dezelfde kant af, aan het eind stonden paaltjes zodat je er niet met de auto tussen door kon maar wel met de fiets en bromfiets. We gingen zo op in het schouwspel dat Marko de paaltjes niet opmerkte en pardoes tegen een paaltje fietste met een luide knal en zo op de grond donderde.
Links wat bloed, rechts wat bloed maar de hulp was nabij, een vrouw van lichte zede die dit alles van achter het raam had aanschouwd kwam naar buiten in haar slipje, BH en op hoge hakken om hulp te bieden, Marko werd mee naar binnen genomen om de wondjes te laten schoonmaken en kreeg een glaasje fris tegen de schrik terwijl zijn Pa en ik buiten bleven wachten totdat “het” klaar was.
 
 
 
Wat er tussen 14 en 16 jaar gebeurde weet ik eigenlijk niet meer zo goed, we visten nog wel eens maar dat was sporadisch, krantenwijk en andere zaken hielden me bezig en vissen gebeurde niet zo veel meer hoewel ik wel tijdens een dagje vissen 1 van mijn eerste meisjes aan de haak sloeg die samen met haar vriendin de hond aan het uitlaten was. Vreemd overigens dat ik dit meisje 30 jaar later weer tegen kwam in Woerden toen we gingen….. juist ja vissen. Ik had blijkbaar toch indruk gemaakt want de dame in kwestie vroeg bijna gelijk toen ze ons in het vizier kreeg, “hé ben jij niet Rene de Vries uit Utrecht?” Zo zie je maar, ook toen liet ik al een goede indruk achter.
Wat ik me nog wel herinner was onze wat vreemde wijze van het verkrijgen van ons aas, ik ga het hier niet beschrijven want het was echt een “probeer dit niet thuis dingetje” met 220 op het grasland zetten waarnaar binnen 10 seconden Tientallen grote wormen uit de grond kropen, als ik er nu op terug kijk dan kan ik alleen maat melden dat we jong en onbezonnen waren en dat gevaar niet in ons woordenboek voor kwam.
 
Vissen deden we echter steeds minder, met een opleving toen we een jaar of zestien waren, we zijn nog een aantal keren wezen vissen in de lek met een grote groep, we zaten op de eerste pier bij Vianen onder de brug over de A2, om maar eens een lekkere rustige stek te noemen.
Vissen was hier maar bijzaak, want de groep was groot, hengels werden vaak niet eens uitgegooid, maar hier brachten we de nacht door met meestal bier, likeur en dat soort zaken.
Volgens mij werd er niet of nauwelijks gevangen maar het waren wel gezellige nachten met een groep waar we mee de kleuterschool, lagere school hadden doorlopen.
 
En toen, werd het met vissen stil, heel lang stil, vele jaren stil totdat………. (wordt vervolgd).
 
 

Comments:

Secured by Siteground Web Hosting